Beroep tegen boete ILT gegrond verklaard

27-01-2014

In 2012 zijn diverse plaagdiermanagementbedrijven door de Inspectie van Leefomgeving en Transport (ILT) beboet voor het niet naleven van de terugkomverplichting. De NVPB heeft destijds voor de branche en in samenwerking met Tomlow Advocaten een bijeenkomst georganiseerd over de mogelijkheden om de boetebesluiten aan te vechten. Diverse bedrijven hebben besloten actie te ondernemen en dit heeft geleid tot diverse beroepsprocedures bij de rechtbank. Inmiddels is in de zaak van het NVPB-lid Zungo Ongediertebestrijding vonnis gewezen. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het beroep gegrond is en heeft het boetebesluit vernietigd.

De terugkomverplichting
Biociden zijn chemische of biologische bestrijdingsmiddelen die in Nederland slechts mogen worden toegepast onder strikte voorwaarden. Met deze voorwaarden wordt beoogd de risico’s van het betreffende biocide afdoende te beperken. Deze voorwaarden worden vastgesteld door het Ctgb, het Nederlandse toetsingscollege voor gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Voorwaarden kunnen worden vastgelegd in het wettelijk gebruiksvoorschrift (WG) of in de gebruiksaanwijzing (GA), die tezamen het WGGA vormen. Eén van de voorschriften die kan worden vastgesteld is dat opname van het biocide door de doelsoort met een bepaalde frequentie moet worden gecontroleerd ( ‘de terugkomverplichting’). Dit voorschrift is opgenomen in de gebruiksaanwijzing. Plaagdiermanagementbedrijven hebben de gebruiksaanwijzing altijd geïnterpreteerd als een aanbeveling en niet als een wettelijk voorschrift.

Grondslag voor de boete
De ILT heeft aan plaagdiermanagementbedrijven boetes uitgedeeld, omdat de terugkomverplichting niet zou zijn nageleefd. ILT heeft aan de boete ten grondslag gelegd dat het verboden is te handelen in strijd met alle voorschriften die door de bevoegde autoriteiten bij de toelating van een middel zijn vastgesteld (art. 43a Wgb). ILT is ervan uitgegaan dat dit verbod zowel geldt voor het wettelijke gebruiksvoorschrift, als voor de gebruiksaanwijzing.

Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat – mede gelet op de tekst van het toelatingsbesluit – de gebruiksaanwijzing niet kwalificeert als wettelijk voorschrift dat aan de toelating is verbonden. In de tekst van de toelating is namelijk opgenomen dat het middel slechts mag worden toegepast met inachtneming van de voorwaarden die in bijlage 1A van het toelatingsbesluit zijn opgenomen. In bijlage 1A is het wettelijk gebruiksvoorschrift opgenomen, maar niet de gebruiksaanwijzing. Dat bij de toelating het mogelijk wel de bedoeling is geweest om ook de gebruiksaanwijzing als wettelijk voorschrift aan te merken doet daar niets aan af. Dan volgt uit het rechtszekerheidsbeginsel.

Maar ook wanneer in de tekst van de toelating zou zijn opgenomen dat het middel slechts mag gebruikt met inachtneming van de gebruiksaanwijzing, dan is nog steeds sprake van een onvoldoende kenbaar voorschrift, aldus de rechtbank. De wetgever is op grond van het rechtszekerheidsbeginsel namelijk gehouden om op een zo duidelijk mogelijke wijze de verboden gedraging te omschrijven. Daarvan is volgens de rechtbank in het geval de gebruiksaanwijzing bij biociden geen sprake. In dit oordeel betrekt de rechtbank diverse publicaties rondom het project van het Ctgb ‘Van WGGA naar WG’. In een brief aan de Tweede Kamer geeft ILT zelf aan dat het voor gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen lastig is om in één oogopslag te zien hoe het middel moet worden toegepast en welke restricties daarvoor gelden. Een vergelijkbaar project is inmiddels ook gestart ten aanzien van biociden. De rechtbank komt gelet op de onduidelijkheid die bestaat over de status van de gebruiksaanwijzing tot de conclusie dat handhaving op de voorschriften in de gebruiksaanwijzing in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Deze uitspraak kan ook aanzienlijke gevolgen hebben voor andere procedures.

En hoe nu verder?
Eerst heeft de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu de mogelijkheid om in hoger beroep te gaan tegen de uitspraak van de rechtbank. Indien binnen de daarvoor gestelde termijn geen hoger beroep wordt aangetekend, dan is het oordeel van de rechtbank finaal. Of daadwerkelijk beroep wordt aangetekend is onduidelijk.

Zoals aangegeven is inmiddels een project gestart waarin het WGGA voor biociden wordt samengevoegd tot één WG. Zodra dit project is afgerond zal de onduidelijkheid zijn weggenomen over de status van de gebruiksaanwijzing en zal ILT hierop kunnen handhaven. Maar totdat de onduidelijkheid over de status van de gebruiksaanwijzing is weggenomen, zijn er goede aanknopingspunten te vinden om vergelijkbare boetebesluiten aan te vechten.

Voor meer informatie over dit onderwerp, kunt u contact met ons opnemen.



Nieuwsarchief