Visie van de NVPB op een verantwoord gebruik van biociden

19-02-2014
Huidige situatie
Biociden mogen pas worden toegepast als zij een toelating voor de Nederlandse markt hebben verkregen. Een dergelijke toelating wordt afgegeven door het College ter beoordeling van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb). In het kader van een toelating worden middelen beoordeeld op de risico’s voor mens, dier en milieu. Om de risico’s die de middelen met zich meebrengen te beperken, worden gebruiksvoorschriften (in de vorm een WGGA) vastgesteld. Het WGGA bestaat uit een wettelijk gebruiksvoorschrift en een gebruiksaanwijzing. De rechter heeft nu in een individueel geval geoordeeld dat de gebruiksaanwijzing niet geldt als een handhaafbaar wettelijk voorschrift. Het wettelijk gebruiksvoorschrift is wel handhaafbaar.

Naast de gebruiksvoorschriften is het voor bepaalde categorieën biociden, zoals bij middelen voor plaagdierbeheersing en houtconservering, verplicht om te beschikken over een vakbekwaamheidsbewijs alvorens de middelen voor professioneel gebruik mogen worden toegepast. In de Regeling gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Rgb) zijn de vakbekwaamheidseisen opgenomen. Het is onder meer verplicht om (na)scholing te volgen en examens af te leggen. Onlangs is aan de eisen toegevoegd dat een plaagdierbeheerser blijk moet geven van voldoende kennis over geïntegreerde plaagdierbeheersing.

In de Nederlandse plaagdierbeheersing wordt een verantwoorde toepassing van biociden beoogd door de combinatie van het wettelijk gebruiksvoorschrift enerzijds en de vakbekwaamheidseisen voor professionele plaagdierbeheersers anderzijds.

Mogelijke opties voor de overheid
Gelet op de recente uitspraak van de rechtbank kan de wetgever (Ministerie van Infrastructuur en Milieu) overwegen om nadere eisen te stellen aan een verantwoord gebruik van biociden. De wetgever kan in samenspraak met het College ter beoordeling van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) kiezen om het wettelijk gebruiksvoorschrift aan te scherpen of zelfstandig besluiten de vakbekwaamheidseisen aan te scherpen.

Een eerste optie is om het wettelijk gebruiksvoorschrift zo aan te passen dat hierin de toepassing van het middel uitputtend wordt geregeld. Dat betekent dat deze voorschriften in alle denkbare situaties moeten worden gevolgd, bijvoorbeeld ook wanneer een volksgezondheidsrisico in het geding is. Van de voorschriften kan slechts worden afgeweken middels het aanvragen van een ontheffing. Overigens is een vergelijkbaar traject doorlopen ten aanzien van gewasbeschermingsmiddelen met als doel een meer gebruiksvriendelijk, eenduidig, handhaafbaar en leesbaar WG op te leveren (projectnaam: ‘Van WGGA naar WG’). Dit project heeft geleid tot een grote administratieve belasting voor het bedrijfsleven en de autoriteiten. Er kunnen dan ook vraagtekens worden geplaatst bij het succes van deze exercitie.

Een alternatief is dat de wetgever niet op het niveau van een middel, maar op het niveau van de gebruiker kiest voor een betere borging van de verantwoorde toepassing. In dat geval zal de wetgever binnen de bestaande wettelijke kaders van de Rgb meer duidelijkheid moeten verschaffen over de invulling van de vakbekwaamheidseisen voor professionele plaagdierbeheersers. Het onlangs toegevoegde criterium dat een plaagdierbeheerser blijk moet geven van voldoende kennis van geïntegreerde plaagdierbeheersing is daarvoor bijvoorbeeld een aanknopingspunt.

Visie van de NVPB
Het beleid van de NVPB is erop gericht om de kwaliteit van het plaagdiermanagement in Nederland op structurele wijze te verhogen. De NVPB is van mening dat een verantwoorde toepassing van biociden moet worden geborgd door een combinatie van een helder en uitvoerbaar wettelijk gebruiksvoorschrift en een zekere mate van beoordelingsruimte voor de professionele plaagdierbeheerser op grond van zijn vergaarde kennis en ervaring. Met name het kennisniveau wordt geborgd door middel van de vakbekwaamheidseisen.

Binnen de vakbekwaamheidseisen zouden de beginselen van Integrated Pest Management (IPM) een belangrijkere rol moeten vervullen. Op grond van IPM dienen preventieve maatregelen te worden getroffen om overlast van plaagdieren te voorkomen. Indien voor een effectieve plaagdierbeheersing geen andere passende alternatieven beschikbaar zijn, dan kunnen pas biociden worden ingezet. Het toepassen van IPM houdt ook een risico gebaseerde aanpak in, waarbij afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval maatregelen worden getroffen. Op deze wijze wordt de inzet van biociden tot een minimum beperkt. Wanneer een professioneel plaagdierbeheerser volgens deze uitgangspunten geschoold is en in de praktijk volgens deze beginselen werkt, dan komt men daadwerkelijk tot een verantwoorde toepassing van biociden.

Een toepassing van biociden volgens de beginselen van IPM kan het best worden geregeld in de vakbekwaamheidseisen. De beginselen spelen namelijk een belangrijke rol in de fase voordat de keuze wordt gemaakt om een biocide in te zetten. Preventie is immers één van de kernpunten van IPM. Zou het werken volgens IPM worden gekoppeld aan het wettelijk gebruiksvoorschrift van een biocide, dan zou IPM onlosmakelijk worden gekoppeld aan het toepassen van middelen. De NVPB is dan ook van mening dat een nadere invulling van de vakbekwaamheidseisen voor professionele plaagdierbeheersers de stap in de juiste richting is. Bovendien past dit ook in de huidige wet- en regelgeving. Recentelijk is in Rgb opgenomen dat een professionele plaagdierbeheerser blijk moet geven van voldoende kennis van geïntegreerde plaagdierbeheersing (IPM). De NVPB denkt met partijen dan ook graag mee over de nadere vormgeving van deze eis voor vakbekwaamheid.

De NVPB heeft voor haar leden Praktijkrichtlijnen ontwikkeld die een rol kunnen spelen bij het concretiseren van de IPM gedachte. De richtlijnen zijn flexibel en kunnen snel worden aangepast aan de huidige praktijk. Bedrijven die zich hebben gecertificeerd voor het Keurmerk Plaagdiermanagement Bedrijven (KPMB) zijn bovendien door onafhankelijke certificerende instanties beoordeeld op het toepassen van de NVPB Praktijkrichtlijnen.

Daarnaast is de NVPB voorstander van een helder en toepasbaar wettelijk gebruiksvoorschrift. Dit moet een kader scheppen voor het toepassen van een individueel middel en tegelijk voldoende ruimte laten bestaan voor een professioneel plaagdierbeheerser om de omstandigheden van het geval in de toepassing mee te wegen. Zo wordt een verantwoorde toepassing van biociden bereikt.

Conclusie
De wetgever staat voor een principiële keuze als het gaat om het borgen van een verantwoorde toepassing van biociden. De NVPB is van mening dat het wettelijk gebruiksvoorschrift een helder en toepasbaar kader moet bieden voor de toepassing van een biocide, zonder dat hierin de toepassing van het middel in detail wordt voorgeschreven. Binnen het kader van het wettelijk gebruiksvoorschrift dient de professionele plaagdierbeheerser het middel verantwoord toe te kunnen passen. Bij deze professionele toepassing behoort de IPM gedachte leidend te zijn. Dit kan worden geconcretiseerd en geborgd binnen de vakbekwaamheidseisen voor professionele plaagdierbeheersers. Zo wordt daadwerkelijk bijgedragen aan een verantwoord gebruik van biociden. De NVPB zal alles in het werk stellen om de betrokken overheidspartijen hiervan te overtuigen en met hen de dialoog aangaan.



Nieuwsarchief