Rattenoverlast in Nederland: voorkom Parijse toestanden!

Rattenoverlast in Nederland: voorkom Parijse toestanden!

Den Haag, 6 juni 2019
 
Parijs kampt met een heuse rattenplaag. Bewoners krijgen een boete als zij geen maatregelen nemen, zoals het plaatsen van vallen of het inzetten van gif. Ook in Nederland speelt deze problematiek en het beeld is dat de overlast toeneemt. Op World Pest Day vraagt de Nederlandse Vereniging van Plaagdiermanagement Bedrijven (NVPB) aandacht voor de belemmeringen voor een effectieve aanpak van dierplagen door professionele plaagdierbeheersers. “Met name op provinciaal niveau worden beperkingen ervaren voor een effectieve integrale aanpak van dierplagen”, aldus Jan Verschoor (secretaris NVPB). Daarnaast pleit de NVPB voor een brede erkenning van de beroepsopleiding voor professionele plaagdierbeheersers. 
 
Risico’s van plaagdieren
Plaagdieren, zoals ratten en muizen, kunnen risico’s met zich meebrengen voor de gezondheid van mens en dier, zorgen voor slechte hygiënische omstandigheden en kunnen grote economische schade veroorzaken. Deze risico’s en daarbij het belang van plaagdierbeheersing zijn algemeen onderkend, uiteraard ligt hierin de nadruk op een verantwoorde inzet van bestrijdingsmethoden en dierenwelzijn. Er zijn signalen dat de overlast van knaagdieren de laatste jaren is toegenomen. Onder druk van klimaatverandering (minder koude winters) en verstedelijking (toenemende aanwezigheid van voedsel en schuilplaatsen voor plaagdieren) dreigt de overlast nog verder toe te nemen. Harde cijfers ontbreken echter. Daarom start het ministerie van I&W binnenkort met een mobiele app om ratten te monitoren. “Monitoring is belangrijk om beter beeld te krijgen van de overlast, maar het lost het probleem nog niet op”, zegt Jan Verschoor (secretaris NVPB). De monitoring kan wel belangrijke informatie opleveren die gebruikt kan worden voor een integrale aanpak van de overlast.
 
IPM-aanpak
Een effectieve plaagdierbeheersing vergt een integrale aanpak, volgens de beginselen van Integrated Pest Management (IPM), waarbij wordt ingezet op het monitoren en weren van dierplagen. “Als het ontstaan van een dierplaag wordt voorkomen, dan hoef je ook niet te bestrijden en kan onnodig dierenleed worden voorkomen”, aldus Verschoor. Dit vergt wel de betrokkenheid van professionals die kennis van zaken hebben. Wanneer bestrijding noodzakelijk is, dan wordt een afweging gemaakt tussen verschillende opties op basis van effectiviteit en risico’s van een methode. Chemische middelen (zogenaamde “biociden”) zijn een laatste redmiddel, die in aanvulling op niet-chemische methoden, zoals klemmen of vallen, kunnen worden ingezet. De leden van de NVPB werken al sinds jaar en dag volgens de beginselen van IPM. Een succesvolle uitrol van de IPM-aanpak is echter ook afhankelijk van een integrale aanpak vanuit de overheid.
 
Brede erkenning beroepsopleiding plaagdierbeheersers
Vanuit het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (I&W) wordt ingezet op een IPM-aanpak voor plaagdierbeheersing met het doel het gebruik van de chemische middelen (biociden) terug te dringen. Dit beleid kan echter alleen slagen, wanneer andere overheden hier ook invulling aan geven. Zo geldt er momenteel bijvoorbeeld alleen een opleidingseis voor het gebruik van biociden door professionals en geldt deze eis niet voor andere werkzaamheden op het gebied van plaagdierbeheersing. “Wij vinden dit uiterst onwenselijk, omdat hiermee het risico bestaat dat dierplagen niet effectief worden aangepakt en dat bestrijdingsmethoden op onverantwoorde wijze worden ingezet door niet-deskundige personen”, zegt Verschoor. De NVPB pleit dan ook voor algemene erkenning van de beroepsopleiding voor plaagdierbeheersers, zodat alle personen die zich als professional bezighouden met de uitvoering van plaagdierbeheersing aantoonbaar deskundig moeten zijn.
 
Decentralisatie vergt beleid van provincies en gemeenten voor effectieve aanpak
Provincies en gemeenten hebben met de komst van de Wet Natuurbescherming in 2017 een grotere verantwoordelijkheid gekregen op het gebied van plaagdierbeheersing. Bevoegdheden voor het verlenen van vrijstellingen en ontheffing voor niet-chemische bestrijdingsmiddelen zijn bijvoorbeeld overgegaan van het Rijk op provincies. Het is volstrekt logisch dat niet iedereen zomaar vangmiddelen of een luchtdrukgeweer mag inzetten. Echter, dit kunnen effectieve methoden zijn die door een professionele plaagdierbeheerser op verantwoorde wijze kunnen worden ingezet. Nu zijn plaagdierbeheersers vaak afhankelijk van tijdrovende procedures voor ontheffingen en waarvan de uitkomst onzeker is. Beperkte toegang tot niet-chemische methoden werkt het gebruik van biociden in de hand. “Provincies en gemeenten hebben doorgaans onvoldoende kennis van zaken en plaagdierbeheersers worden van het kastje naar de muur gestuurd”, geeft Verschoor aan. De kern van het probleem is dat in de wetgeving onvoldoende rekening is gehouden met de uitvoering van plaagdierbeheersing door professionals. Op dit moment wordt de Wet natuurbescherming geïntegreerd in de Omgevingswet. Dit is een uitgelezen mogelijkheid om de knelpunten voor een IPM-aanpak op te lossen. Eén van de verbeteringen die de NVPB signaleert is de introductie van een landelijke vrijstelling voor de toepassing van niet-chemische methoden door plaagdierbeheersers die succesvol de beroepsopleiding hebben afgerond.
 
__________________________________________________________________________________________ 
Noot voor de redactie, niet ter publicatie
 
Voor meer informatie over de NVPB en dit bericht kunt u contact opnemen met:
 
NVPB
Kyra Broeders
Tel.: 070-7503111
E-mail: nvpb@nvpb.org
Internet: www.nvpb.org